Column: De Oude Dame

Stacks Image 1
I - KERKVOLK EN CONCERTPUBLIEK
door Gerry Hanneman

‘Het kerkorgel in Nederland kampt met een stoffig imago. Dat moet veranderen, anders zwijgen de orgels over een tijdje voorgoed. […] Het imago van het klassieke orgel is nog steeds niet geweldig te noemen. Mensen associëren het met treurigheid, zware muziek, lange kerkdiensten en pepermuntsmaak’, zegt Hans Beek, secretaris van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici in ‘Trouw’ van 15 juni 2010.

En daar sta je dan als lid van een orgelcommissie die druk bezig is met de organisatie en de uitvoering van de Zomerconcertserie en met de voorbereidingen van een orgelconcours; een club mensen, die hun orgel onder meer weet te promoten met een concert waarbij organist Jaap Kroonenburg niet alleen een compositie van Bach ten gehore brengt, maar het concertpubliek met de ‘Line Dance’ van Rawsthorne niet zozeer tot dansen, dan toch wel tot ritmisch meedeinen weet te bewegen ….
Stoffig? Treurig? Dan toch niet bij het beluisteren van een concert op het Garrels-orgel van de Groote Kerk van Maassluis!
Verciersel onser Kercke
Iedereen weet zo langzamerhand wel hoe de Groote Kerk van Maassluis aan dat prachtige instrument is gekomen. Minder bekend is misschien dat eerdere pogingen een orgel te krijgen op niets waren uitgelopen. In het Kerkvoogdijarchief is een intekenlijst aanwezig van 18 december 1666 ‘om tot opweckinge van Godes Woort ende verciersel onser Kercke’ bijdragen te leveren voor een orgel. De intekenlijst bleef echter leeg.
Hoe kwam het dat zo’n zestig jaar later toch een orgel werd gebouwd? De heer T. Mastenbroek, die bij vele Maassluizers bekend staat als dé kenner van de plaatselijke historie, schrijft in zijn boek ‘De Groote Kerk te Maassluis’ - in de spelling van die tijd - er het volgende over:

‘Kijk eens, Govert van Wijn (rijk reder; schenker van het Garrelsorgel 1732, GHJ) was een practisch man. Daar waren in de Kerk en bij het Weeshuis een paar regelingen, die hij niet in het belang van een goeden gang van zaken vond. Bij de Kerkmeesters, vier in getal, traden er elk jaar twee af. Het was dus niet ondenkbaar, dat in een tijdsverloop van twee jaar een geheel nieuw College zou zitting hebben. Bij het weeshuis was het met de aftreding van de Regenten ook zoo. Dat was het nu, waar Govert van Wijn bezwaar tegen had: twee jaar was veel te weinig om behoorlijk ingewerkt te zijn. Govert van Wijn zou die regeling gaarne veranderd zien, en bij aanvaarding van zijn voorstel, om voortaan jaarlijks slechts één Kerkmeester te laten aftreden, stelde hij een belooning in uitzicht, waarvan de grootte onevenredig lijkt aan het gewicht van zijn uitgesproken wensch: hij zou dan in de Kerk te Maassluis op zijn kosten een ‘bekwaam’ orgel laten maken, en bovendien jaarlijks den organist betalen’.


De Kerkmeesteren twijfelden geen moment en accepteerden dit grootse geschenk van deze ‘seer gegoet en hoogh bejaert vryer’ (Govert van Wijn was niet getrouwd en liep tegen de negentig).

Orgelspel: ook ‘ter vermaak der toehoorders’
Natuurlijk diende ook het Garrels-orgel in de eerste plaats als instrument om de kerkelijke gemeente bij haar zang te begeleiden. De ‘Instructie aan den eersten organist’ begint met: ‘Eerstelijk sal de orgellist alle Zondage en verdere predik of bededage verpligt en gehouden syn om eve voor of onder het opluide der klok op het orgel te syn, om met den voorganger den godtsdienst met het orgelspel te beginnen en te eindigen en sal na het uitspreken van den zegen een quartier van een uur moeten naspelen tot de menschen uit de kerk syn’.

Ik vermoed echter, weet haast zeker, dat Govert van Wijn het orgel ook liet bouwen uit een sterk cultureel besef. Want hoe luidt punt 2 van de Instructie?

‘Ten twede sal hy op iedre Woensdag van de week ’s namiddags ten 3 uuren, een uur moeten spelen, en tot meerder oefening syner kunst en vermaak der toehoorders telkens so veel veranderinge van geluid en van geluiden voortbrengen als het orgel en sijne kunst vermogen.’

Ook het kerkbestuur krijgt een extraatje: de organist ‘sal voor Kerckmeesters, indien sy dit voor hunne buitevriende versoeke, een uur moeten spelen en ook gehouden syn dit te doen ingevolge van ’t verzoek des Heeren Govert van Wijn, voor desselfs neeven Jan Buis en Hendrik Schim, onder die mits echter, dat hy daer tydig van moet kennis hebben’.

Kerkorgel: ook concertinstrument
‘Soms is de afstand groot tussen wat de meeste kerkgangers mooi vinden en wat kerkmusici spelen’, zegt Hans Beek. Dat mag dan zo zijn, maar sinds lang fungeren veel orgels ook als machtige en klankrijke concertinstrumenten. Een van de beste voorbeelden daarvan is ons Garrels-orgel, dat de eeuwen overbrugt tussen toen en nu, daarbij ondersteund door het vakmanschap van zijn organisten. Diezelfde organisten, die tijdens erediensten ook het ‘gewone’ kerkvolk wisten en weten te bezielen met hun orgelspel.

‘Nederland is zo rijk aan bewonderenswaardige instrumenten dat het erg moeilijk is er een te noemen zonder aan al de andere te denken. Toch zit er in de diversiteit een zekere eenheid van karakter onder al deze orgels die als gemeenschappelijk punt grote waardigheid hebben. Dat is ook een van de eerste kwaliteiten van het orgel van Maassluis, waarvan de klanken van de vele registers elke hoek van de kerk vullen. De verschillende klankkleuren van de registers zijn van een zeldzame kwaliteit. Het orgel van Maassluis is ongetwijfeld een kunstwerk dat wezenlijk is voor het artistieke erfdeel van het grote klassieke tijdperk’.
(De Franse organist Jean Guillou bij het 250-jarig bestaan van het Garrels-orgel in 1982)